Gereformeerd of Evangelisch? - een plaatsbepaling -
|
||||||||||||||||||||
| “Evangelisch, o ja, dat is zo’n club van
swingend zingende mensen, met de handen in de lucht. Dat zijn mensen die het
allemaal van zichzelf verwachten, van hun eigen vrije wil. De diensten
schijnen veel leuker te zijn dan de gereformeerde kerkdiensten, maar ze
missen elke diepgang omdat ze niet zijn gebonden aan schrift en belijdenis.
Helaas trekt die vrolijke buitenkant toch erg veel jongelui. Jongelui die
het niet meer leuk vinden in de kerk en hun geestelijk vertier liever
consumeren in een evangelische gemeente.” Zomaar een aantal uitspraken op een rijtje gezet, die ik de laatste tijd gehoord en gelezen heb over de evangelischen. Daarbij valt op, dat het heel vaak gaat over ‘aantrekkingskracht’, ‘leuker’, ‘geen belijdenis’, ‘geen diepgang’, ‘consumeren’ enz. Bij deze opmerkingen moeten me twee dingen van het hart. Ten eerste, DE evangelischen bestaan niet. Net zoals er traditionele kerken zijn die geen diepgang meer hebben, zich niet aan belijdenissen willen binden, die de kerkdiensten vol willen krijgen met leuke attracties, zijn er evangelische gemeenten waarvoor dat geldt. En net zoals er bijbel- en belijdenisgetrouwe kerken zijn (waaronder ik ook de vrijgemaakte kerk reken), zijn er bijbelgetrouwe evangelische gemeenten die een duidelijke theologie hebben met diepgang. Net zo breed als gereformeerd christendom is ook het evangelisch christendom. Zoals er veel soorten protestantse kerken zijn, variërend van Vrijzinnig Hervormd, Synodaal, Christelijk, Nederlands of Vrijgemaakt Gereformeerd, Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk tot zogenaamd zwaar Oud Gereformeerd en Gereformeerde Gemeenten, zo zijn er verschillende evangelische stromingen variërend van vrije Pinkstergroepen, de Vergadering van Gelovigen, ‘gewone’ Evangelische Gemeenten, Baptisten gemeenten, Zevende Dag Adventisten, CAMA Parousia Gemeenten, Kerk van de Nazarener tot de Noorse Broeders. Ten tweede, het is zeker waar dat de evangelische beweging op veel jongeren uit de kerken een grote aantrekkingskracht heeft. Maar het is niet eerlijk om alle mensen die evangelisch worden te veroordelen als mensen die alleen maar op hun gevoel afgaan en geestelijk ‘fastfood’ prefereren boven de ‘aloude stevige Hollandse maaltijd’ van de gereformeerde kerk. Er zijn binnen de evangelische jongeren twee groepen: de groep die het inderdaad meer om de buitenkant gaat. Dat zijn de mensen die ‘shoppen’ bij de evangelischen (regelmatig diensten bezoeken, zonder zich aan te sluiten) of die wel evangelisch worden, omdat ze zich er beter thuis voelen, zonder zich druk te maken over en zich te verdiepen in allerlei theologische dingen,. De andere groep wordt evangelisch vanwege de leer, omdat door bijbelstudie aan hen duidelijk is geworden, dat de leer van de kerken een andere is dan wat de bijbel hen leert. Zij kiezen bewust om theologische redenen voor de evangelische leer en sluiten zich dan ook aan bij een gemeenteaar theologie een grote plaats heeft. Zelf behoor ik bij die evangelische jongeren die door bijbelstudie andere theologische inzichten heeft gekregen dan de kerk heeft en die een keus wil maken voor een evangelische gemeente met diepgang. Het gaat me absoluut niet om de buitenkant, en om hoe gezellig het wel niet zal worden met al die fantastische liturgische vernieuwingen en nieuwe gezangen die eraan staan te komen in de vrijgemaakte kerk. Daarmee houdt de kerk mij niet binnen haar muren. Het gaat mij ten diepste om de leer, de manier van Bijbelverklaren, de belijdenisgeschriften, de visie op kerk, Israël, verbond, doop, avondmaal, de toekomst en Gods werk. Om dat duidelijk te maken wil ik in dit stuk eerst een
grote lijn uitzetten. Daarna ga ik op aspekten uit die grote lijn dieper in.
Deze grote lijn en de uitgewerkte aspekten daaruit zijn geenszins een
volledig verhaal. Het is meer een praatstuk, dat handreikingen doet voor een
gesprek. Ook geeft het aan, dat de evangelische visie een samenhangend
geheel is, net zoals de gereformeerde visie dat ook is. Schop je onder de
gereformeerde visie één heipaal weg, dan stort het hele gereformeerde
kerkgebouw langzaam in. En trap je onder de evangelische visie één stut weg,
dan valt de hele evangelische gemeente in duigen. Dat betekent wel, dat
spreken met elkaar vanuit twee verschillende visies heel moeilijk is. Daarom
hoop en bid ik, dat de Bijbel open gaat en blijft bij gesprekken en verdere
studie. Een goed motto daarbij is: Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust. (2 Tim. 3:16) En het doel van alle vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof. (1 Tim. 1:5) |
||||||||||||||||||||
|
De grote lijn van Gods werk in de
wereld In het begin maakte God de hemel en de aarde. Over die aarde stelde Hij de mens aan als onderkoning (Gen. 1:26). Wanneer God met mensen omgaat, doet Hij dat altijd vanuit een verbondsverhouding. God zegent wanneer het goed gaat, en vervloekt wanneer de mens ongehoorzaam is. Zie Genesis 1: 28 en 2:17. Toen de mensen zondigden verbond God daaraan een vloek voor de aarde en alles daarop (Gen. 3:14-19). Maar in die vloek gaat God toch verder met de wereld. Waarom dan toch? Waarom had God dan niet veel eerder de duivel al gedood, zodat die geen kwaad meer kon aanrichten? God deed dit, zodat elk schepsel in hemel en op aarde zou kunnen zien en ervaren dat Hij alleen goed en rechtvaardig is. Zo werkt God ook onder de mensen, Hij laat goeden en slechten tezamen leven, later zal blijken wat goed is en wat slecht. Zie Matt. 13:28-30. Nu is de mens zelf verantwoordelijk voor de keuze tussen goed en kwaad. Op deze verantwoordelijkheid van de mens voor zijn keuze wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gewezen (grote gedeelten van Deuteronomium, Jozua 24:15, Matt. 6:24, Matt. 12:30, Luc. 11:23, Jacobus 4:7-10, Openb. 3:20). Het doel van God daarbij is de werking en gevolgen van de zonde duidelijk te maken, zodat uiteindelijk iedereen God zal moeten eren en erkennen dat Hij alleen goed is. Zie Openb. 15:3-en Filip. 2:9-11. Daarom gaat God direct bij de val van de mens verder met zijn werk. Hij belooft dat het goed zal komen met de mensen en dat de duivel eens vernietigd zal worden: Gen. 3:15, de moeder/oorsprong van alle volgende beloften. Gods werk is dus niet het bijeenbrengen van een volk, maar het vernietigen van het kwaad, de duivel, tot redding van de mensen die God willen dienen. Om dit verbond van Genesis 3:15 uit te voeren moest het zaad van de vrouw tegelijk ook God zijn. Daarom ging God op zoek naar een mens, die onvoorwaardelijk in Hem geloofde, om uit diens nageslacht de Redder geboren te laten worden. God vond die mens in Abraham. We lezen daarover in Genesis 12 t/m 17. Basis van Gods omgang met Abraham was zijn geloof (Gen. 15:6 en Rom. 4). Het verbond met Abraham bestond uit drie aspecten:
In dit verbond legde God alle voorwaarden neer om de moederbelofte uit te voeren: er zou een volk komen uit een rechtvaardig man, dat volk was verbonden aan de machtige God en dat volk had een plek om te kunnen wonen. Omdat dit allemaal vleselijke beloften zijn (met als achterliggende gedachte het toekomstige geboren worden van de Messias) stelde God ook een vleselijk teken in: de besnijdenis. Bij elke verwekking van een kind van Gods volk, werden man en vrouw herinnerd aan het verbond, dat God met Abraham had gesloten. Dit verbond had geen verzoenende functie, er waren alleen beloften aan verbonden. Die beloften golden en gelden alleen voor het vleselijke nageslacht van Abraham en voor wie zich door de besnijdenis bij het volk van God wilde voegen. Het verzoeningsprincipe komt pas later in de Bijbel aan bod in Exodus 29 e.v. en Leviticus. Want in de woestijn kreeg het volk Israël van God via Mozes de Tien Geboden en de wetten. Het verbond met Abraham bleef hetzelfde, maar de verbondsvernieuwing op de Sinai kwam erbij om de mensen te leren hoe ze heilig moesten leven (Gal.3:17). Ze hadden immers de Heilige Geest nog niet gekregen. De Tien Geboden was de morele wet van het verbond. De overige inzettingen wijzen op de verzoening die God beloofde aan zijn volk. Daar hoorde het bloed van de verzoening (Hebreeuws: bedekking, Jezus was immers nog niet gestorven!) en de feesten bij. De besnijdenis was een teken van de letterlijke inlijving in het volk Israël, Gods verbondsvolk. De offerdienst was het teken van de verzoening in Christus bloed van de zonden en de zonde als zodanig. Het bloed van het verbond is dus niet het bloed van de besnijdenis, maar van de offerdienst! (Zie Ex. 24:8, Ex. 29, Lev. 1, 4-7, 16) Het volk Israël heeft het verbond steeds weer gebroken, maar toch zie je telkens, dat God trouw blijft aan zijn verbond met Abraham in Gen. 17. God wil verder met Israël, om tot zijn doel te komen: de geboorte van de Verlosser. Uiteindelijk komt die Verlosser er ook en Jezus sterft aan het kruis voor de zonde en de zonden van de mensen. Ik zeg dit expres al twee keer zo: de zonde en de zonden. Het offer van Christus heeft namelijk twee kanten. In de eerste plaats verzoent Jezus onze schuld voor God, door onze straf te dragen (lees 1 Petrus 2:22-24). Hij stierf voor onze zondeN. Dit was de betaling voor alle zonden van de gelovigen vroeger, nu en in de toekomst. Maar de andere kant van het offer van Christus is minstens zo belangrijk. Jezus heeft ook de zonde als kwaad in ons (zeg maar de erfzonde) geoordeeld aan het kruis. Onze zondige natuur verdwijnt in Jezus! Lees Romeinen 6-8, daar staat het overduidelijk!! Maar wat erg dat het volk Israël dit niet wilde aannemen. Ze verwierpen de Messias. Daarin verbrak Israël op de meest erge manier het verbond, want Jezus was juist het doel van het verbond (Gal. 3:16)! Door deze val van Israël is het heil tot de heidenen gekomen. (Rom. 11:11 e.v.) Want God is nog niet klaar met zijn grote en machtige werk. Hij wil nog veel meer schepselen tonen dat Hij almachtig, goed en rechtvaardig is. Als Israëls afwijzing van Gods uitgestoken, reddende hand het einde van het reddingsplan was geweest, dan was er van het heil voor alle volken weinig terechtgekomen. God begint op de Pinksterdag met een nieuwe fase van zijn heilsplan: Jezus roept als verheerlijkt Hoofd zijn Lichaam, de gemeente, bijeen. De muur tussen Israëlieten en heidenen is weggebroken, in de gemeente is Jood en Griek gelijk (Ef. 2:11 e.v.), iedere ware gelovige is nu een woonstede Gods in de Geest. Paulus was de apostel die dit nieuws bekend mocht maken. Het werd hem als eerste geopenbaard (Ef. 3:1-12, Col.1:24-29). Deze openbaring is van een grote heerlijkheid. De gemeente is namelijk een schaduw van de komende heerlijkheid, wanneer God zal zijn alles in allen. Met de gelovigen van de Gemeente sluit God een nieuw verbond, een beter verbond dan het eerste. De bijbel noemt het wel het verbond van de genade in tegenstelling tot het verbond van de wet. (Rom. 10:4 en Gal. 3:24-25 tegenover Ef. 3:2, Tit. 2:11, Rom. 5:2 en Hand. 20:24 en heel duidelijk Rom. 6:14!). In de Hebreeënbrief wordt duidelijk uitgelegd wat het verschil is tussen beide verbonden. Opvallend daarbij is dat het oude verbond niet is afgeschaft: Hebr. 8:13. De actieve werking van het oude verbond is voorbij, de Messias is gekomen. Daarmee is de lijn der geslachten niet meer nodig, evenals de oud testamentische gebruiken van de wet, de besnijdenis en de exclusiviteit van het verbondsvolk Israël. In het nieuwe verbond kom je niet meer door afkomst (geslacht) maar alleen door wedergeboorte: Joh. 1:12-13, Joh. 3:3, 1Petr. 1:23, Rom. 6: 9-13, Gal. 3:29. Maar hoewel het oude verbond met Israël dus verouderd is en niet ver van verdwijning (Hebr. 8:13) bestaat het wel degelijk nog. Want God verbreekt zijn beloften aan Abraham niet, het was toch een eeuwig verbond? En dat verbond bestond niet alleen maar uit de belofte van de Messias. Dat oude verbond had als doel de Messias, en was dus een middel. Bij dat middel hoorde een eeuwige belofte van letterlijk nageslacht en een letterlijk land en Gods letterlijke bemoeienis met dat nageslacht. Hoewel het doel was bereikt (Jezus was gekomen als mens) wilde Israël het niet geloven. Daarom kreeg het ook niet wat God via Abraham en de profeten beloofd had. Zie ook wat Petrus het volk voorhield in Hand. 3:17-26. Wanneer al deze beloften nu geestelijk moeten worden toegepast op de kerk, zou God zijn verbond zélf breken. Maar dat zal Hij nooit doen: zie Rom. 11:29! Israël had God verstoten, maar God had Israël niet verstoten (Rom. 9:15-16, 11:1-2a, 11:12, 15 en 32). In de bedeling van de gemeente is de VAL van Israël het behoud voor de heidenen. Messiasgelovige joden moeten Israël (het jodendom) vaarwel zeggen en zich aansluiten bij de gemeente. Maar dat is iets anders dan wat God aan Israël had beloofd door de profeten van oudsher. Romeinen 11 geeft duidelijk aan dat God later met het Israël dat zich nu verhardt een nieuw verbond zal oprichten (v. 25-32). Dat past ook in de profetieën die spreken over een HERSTEL van Israël: Israël zal weer Gods volk worden en het middelpunt van de aarde zijn, van Israël zal het heil voor de volken uitgaan. Dit heil voor de volken is altijd gekoppeld aan rust en vrede voor de wereld, een terugkeer van de verloren schapen van Israël, een hereniging van het 10-stammenrijk en het 2-stammenrijk, het koningschap van de Zoon van David. Aangezien dit alles nog niet vervuld is, spreken de profeten hier over toekomstige dingen in het duizendjarig rijk. Lees Jes. 2, 11, 14, 25-27, 54-56, 60-62, Jer. 30-33, Ezech. 34, 36, 37, 40-48, Daniël 9-12, cha 4-7, Zach. 8, 14 en Openb. 7, 20-22. God gaat zijn werk met Israël dus nog afmaken. Eerst zal de Here Jezus terugkomen, dan zullen de gestorven gelovigen uit de Gemeente opstaan en zal de Gemeente Hem tegemoet gaan en met de Heer in heerlijkheid leven voor eeuwig. (1 Cor. 15, Fil. 3:20-21, 1 Thess. 4:15-17. Dan zal het joodse volk hersteld worden, compleet met een nieuwe tempel en offerdienst (Ez. 34-48). Israël en de achtergebleven, niet wedergeboren ‘gelovigen’ zullen na de opname van de Gemeente door een grote verdrukking moeten gaan. Velen zullen omkomen, maar er zal een deel gered worden. (Dan. 7:19-25, 12:1, Openb. 7:1-4, 9-10, 13-14, 11:3-8, 12:13-17, 13: 1-10, 14:1-5, Math. 24:9-14) In die tijd regeren het beest en de valse profeet (Dan. 11, Zach. 11:15-17, 2 Thes. 2:3-4, 1 Joh. 2:18,22 en 4:2-3, Matth. 24:15-24, Openb. 13). Dan zal Jezus met de heiligen het hulpgeroep van de mensen horen en het oordeel voltrekken over de profeet en het beest (Openb. 19:11-21). De satan wordt gebonden, zodat hij de mensen op aarde geen kwaad meer kan berokkenen. Het duizendjarig vrederijk zal dan aanbreken, de gemeente en alle heiligen in de hemel zullen met Christus delen in zijn koninklijke glorie en Israël en de volken zullen op aarde onder die regering gezegend leven (Jes. 11, Openb. 20:1-6). Na die 1000 jaar wordt de satan nog eenmaal een korte
tijd losgelaten om de volken te verleiden en daarna zal hij voorgoed
machteloos worden gemaakt. (Openb. 20:7-10). Dan zullen ook alle overige
doden weer levend worden en zal het oordeel worden voltrokken over de bozen.
(Openb. 20:11-15). Na dat oordeel is het recht hersteld, het kwaad gewroken
en machteloos gemaakt, Gods recht heeft gezegevierd. Dan zal de Here Jezus
het koninkrijk overgeven aan God de Vader. De nieuwe hemel en aarde zullen
komen en God zal zijn alles in allen. (Openb. 21, 1 Cor. 15:23-28). En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. (Openb. 21:5) |
||||||||||||||||||||
|
Het Heilig Avondmaal en de Heilige Doop De Here Jezus zelf heeft het Heilig Avondmaal ingesteld als een gedachtenis aan zijn lijden en sterven. … dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt… (Matt. 26:28 / Marcus 14:24). Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed… (Lucas 22:20 / 1 Cor. 11:25). Het Avondmaal is het teken van het Nieuwe Verbond en is in de plaats gekomen van de (bloedige) offers van het Oude Verbond. Als zodanig past het nieuwe teken van het nieuwe verbond goed bij het oude teken van het oude verbond: de bloederige offers verbeeldden het offer van Christus’ bloed. Wijn ziet terug op het eens vergoten bloed, dat de offers onnodig maakte. Jezus zei: "Het is volbracht!" en daarna stierf Hij (Joh. 19:30). Op dat moment scheurde het voorhangsel in de tempel: de offerdienst is niet meer nodig! (Matt. 27:50-51a) De doop is niet het teken van het nieuwe verbond en ook niet in de plaats gekomen van de besnijdenis. De doop is wel een zelfde soort teken als de besnijdenis, maar met een veel grotere rijkdom. De besnijdenis was een lichamelijk teken van inlijving in het verbondsvolk Israël. De doop is een inlijving in de Gemeente van de Here Jezus (1 Cor. 12:12-13). Maar de doop is meer dan alleen maar inlijving. Het is ook een sterven, begraven worden en weer opstaan (Rom. 6:3-4 en Col. 2:11-12). Je begint in de doop een nieuw leven, je bekleed je met Christus (Gal. 3:27). De doop is het bad van de wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest (Tit.3:5). De doop is een teken van bekering, een bede van een goed geweten tot God (1 Petrus 3:21). Aan de doop zit ook de gave van de Heilige Geest verbonden als een onderpand (Hand. 2:38-39, Ef. 1:13-14, 1 Joh. 4:13). Altijd gaat in de Bijbel geloof en bekering vooraf aan de doop (o.a. Marc. 16:16, Hand. 2:38 en 8:36-37). De doop is een daad van de gelovige zelf: altijd staat er in de Bijbel dat menzich moet laten dopen. Dat betekent uiteraard niet dat alles van de mens uitgaat, integendeel, God was altijd de eerste, zie Joh. 6:44, 2 Cor.3:5, Ef. 2:8-9 en 1 Joh. 4:9-10. Gods Hand is als eerste naar de mensen uitgestoken, al vanaf Genesis 3:15. De mens mag die hand vastgrijpen in geloof. De Geest werkt dit geloof. Wedergeboorte komt altijd voort uit het woord van God, zie 2 Cor. 5:17-18 en 1 Petr. 1:23. En aan wedergeboorte en bekering verbindt het NT altijd de opdracht van God om zich te laten dopen; zeg maar als antwoord op Gods reddend ingrijpen in je leven. De doop is daarmee de openbare geloofsbelijdenis van een bekeerling! |
||||||||||||||||||||
|
Het profetisch woord, letterlijk of
geestelijk opvatten? Bij de omgang met profetieën valt op dat de kerk veel teksten geestelijk opvat in plaats van letterlijk. Profeten spraken meestal op drie verschillende manieren: over de tijd waarin ze zelf leefden (bemoedigend of bestraffend), over de tijd die komen zou in de nabije toekomst (zoals terugkeer uit ballingschap) en over de tijd die komen zou in de verre toekomst (zoals het toekomstige herstel van het 12-stammenrijk). De kerk neemt de eerste twee manieren van profetisch spreken altijd letterlijk. Je kunt daarvan ook zien dat deze profetieën vervuld zijn. Maar van de profetieën die nog niet vervuld zijn in het verleden wordt bijna alles geestelijk toegepast op de kerk! Dit is een merkwaardige en m.i. onjuiste wijze van omgaan met Gods woord. De beloften die God aan het vleselijke Israël gegeven heeft, zal Hij ook aan het vleselijke Israël uitvoeren (Rom. 11:29). God is "Ik Ben", Hij is trouw aan wat Hij zegt, ook in de beloften aan Abraham (Hebr.6:13-18). Als de vloek voor Israël is vanwege hun ongeloof, dan is k de zegen voor Israël, wanneer zij zich bekeren. De vervulde oudtestamentische profetieën zijn allemaal in de meest letterlijke zin vervuld. Waarom verwachten we dat dan ook niet van de nog niet vervulde profetieën? Daarbij zijn die profetieën vaak zo enorm gedetailleerd, dat je al die details moet weglaten om de profetie geestelijk op te kunnen vatten. Bijzonder is dat het OT en het NT verschillend spreken over het heil voor de volken door Israël: door het herstel (OT) of de val (NT) van Israël! Het NT kan daarin niet de vervulling zijn van het OT, omdat het over tegengestelde dingen gaat. Wanneer we de profetieën van het OT over de komst van de Messias lezen, zien we dat de vervulde profetieën letterlijk zijn vervuld. Een kort (en uiterst onvolledig) overzicht:
Wanneer al deze voorzeggingen zo letterlijk en onmiskenbaar zijn uitgekomen, dan is het toch duidelijk dat ook de andere profetieën letterlijk te nemen zijn (uiteraard met in acht name van de symboliek die erin voorkomt). De profetieën over Israël die nog niet (volledig) vervuld zijn, zijn in de Bijbel ook altijd verbonden aan de eindtijd en de wederkomst van Christus als Koning op Davids troon, wanneer er een tijd van vrede zal aanbreken. Die tijd van vrede na de wederkomst van Christus is niet de hemelse vrede van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dat kan niet, want de profetieën over dit vrederijk spreken over een onvolmaakte situatie (zie o.a. Jes. 65:13-25, Ezech. 39:14-15 en 44:31, Mal. 3:4). Wanneer we de profetieën dus nemen zoals ze zijn uitgesproken en opgeschreven, kom je tot de conclusie dat er eens een herstel zal plaatsvinden van het verbondsvolk Israël, dan zal de Here een nieuw verbond met hen oprichten (Jer. 31 en 33). In dat herstel wil de Here het heil ook doen toekomen aan de heidenvolken om het herstelde verbondsvolk heen. In het nieuwe testament lezen we dat dit herstel zal plaatsvinden na de wederkomst van Christus en de opname van de Gemeente (Rom. 11:25-26, Openb. 7). Overigens is het een algemeen uitlegkundig principe om bij profetieën van meerdere (voor)vervullingen en een eindvervulling te spreken. Wanneer je daarbij let op de manier van spreken van het nieuwe testament valt op dat daarin ook dat onderscheid een rol speelt. Wanneer er in het NT gesproken wordt over een eindvervulling van een oudtestamentische belofte, staat er vaak iets als: "opdat vervuld werd wat door de Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei:….." Een drietal voorbeelden hiervan zijn Matt. 2:15 (= Hos.11:1), Matt. 4:12-17 (= Jes. 8:23) en Matt.21:4-5 (= Zach. 9:9). Maar wanneer het een voorvervulling van een profetie betreft, spreekt het NT met andere woorden: "dit is het waarvan gesproken is door de profeet…" Vaak is de aanhaling dan ook niet letterlijk. Een overduidelijk voorbeeld hiervan is Hand. 2:16-21, waar Petrus Joël 2:28-32 vrij citeert. Andere teksten zijn Rom. 11:8, waar Paulus Deut. 29:4 aanhaalt, en 1 Petrus 2:10, waar Petrus Hosea 1:10 vrij citeert en dan toepast op de geente. En nog vaker wordt een profetisch woord gewoon gebruikt door de apostelen om een bepaald principe duidelijk te maken, bijv. Rom. 10:18 (= Ps.19:5), en 1 Cor. 15:55 (= Hos. 13:14) en Hebr. 8:8-12 (= Jer.31:31-34). Dergelijke nieuwtestamentische aanhalingen van oudtestamentische profetieën worden principeaanhalingen genoemd. Een duidelijk bewijs dat het voorzegde herstel van Israël nog moet komen (en dus niet in de huidige kerk plaatsvindt) is de toespraak van Petrus in Handelingen 3. In vers 18 zegt hij dat het vermoorden van de Messias door het Joodse volk moest gebeuren, omdat de profeten dat aangekondigd hadden. In vers 19 roept hij het volk op tot bekering, want dan zou de Here terugkomen, want Die was in de 1e plaats voor Israël bestemd (zie ook vers 26). En dan komt vers 21: Jezus is nu in de hemel "tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten van oudsher." Door Israëls ongeloof is vers 19-20 nog niet in vervulling gegaan en zijn de tijden van wederoprichting (herstel) dus ook nog niet aangebroken! |
||||||||||||||||||||
|
De opstanding Veel christenen geloven dat er één opstanding is: op de Jongste Dag zullen alle gestorven mensen opstaan en zal het oordeel voor allen aanbreken. Dit oordeel zal plaatsvinden voor de rechterstoel van God, die gelovigen en ongelovigen zal oordelen. Deze visie staat duidelijk verwoord in artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar wanneer ik de Bijbel goed lees ontdek ik iets heel anders. Er is namelijk helemaal geen oordeel voor de ware gelovigen. Verder is er niet één algemene opstanding, maar er zijn twee opstandingen, die op verschillende tijdstippen en met verschillende groepen mensen zullen plaatsvinden. Laten we de Bijbel er wat dit betreft eens op naslaan. In de eerste plaats leert God ons in de Bijbel dat er voor de ware gelovigen geen oordeel is (Matt. 25:31-46, Joh. 5:22-24, Rom. 5:1, 8:1 en 31-34, 1 Thess. 5:9). Door het werk van Christus zijn wij van het oordeel vrijgesproken (Rom. 3:23-26, Rom. 5:8-11, 2 Cor. 5:18-19 en 21, Col. 1:22, 1 Joh. 3:5-9). God is ook een God die, wanneer Hij de zonden vergeeft, ze ook echt volledig wegdoet (Ps. 103:12). God komt later niet terug op onze (inmiddels vergeven) overtredingen! De ware gelovigen komen dus niet voor Gods rechterstoel te staan met de ongelovigen. In plaats daarvan zullen zij zullen zelf mogen oordelen over de wereld en de engelen (Openb. 20:4a, 1 Cor. 6:2-3, Openb. 2:26 en 3:21)! In de tweede plaats leert de Bijbel dat er twee opstandingen zijn, die verschillen in tijdstip en in doel of karakter. De eerste opstanding vindt plaats bij de wederkomst van Christus, wanneer Hij de gemeente wegvoert en het duizendjarig rijk en het koningschap van Christus begint (1 Cor. 15:23-26, 1 Thess. 4:15-17). Deze opstanding wordt genoemd ‘opstanding ten leven’ (Joh.5:29), ‘opstanding van de rechtvaardigen (Luc. 14:14, Hand. 24:15), ‘opstanding uit de doden’ (Luc. 20:35, Filip. 3:11), ‘de eerste opstanding’ (Openb. 20:4-6, let op v.5!) en de opstanding van hen ‘die in Christus gestorven zijn’ (1 Thess. 4:16). Het deel hebben aan de eerste opstanding is een voorrecht, waar je waardig voor geacht moet worden, een beloning, zie Luc. 20:35, Filip. 3:11 en Openb. 20:6. De tweede opstanding vindt plaats na het duizendjarig
rijk. De doden die niet in Christus gestorven zijn, blijven dood tot na het
duizendjarig rijk (Openb. 20:5). Deze doden zullen, nadat de duivel in de
poel van vuur en zwavel is geworpen (Openb. 20:10), voor de rechterstoel van
God verschijnen. Deze opstanding wordt in de Bijbel genoemd de ‘opstanding
van onrechtvaardigen’ (Hand.24:15) en ‘opstanding ten oordeel’ (Joh. 5:29).
De mensen uit deze opstanding worden ‘de doden’ genoemd in Openbaring 20:12,
namelijk alle mensen die niet geschreven stonden in het boek des levens (zie
v. 12 en 15). Over hén gaan de boeken open en zij worden geoordeeld,
een ieder naar zijn werken (v. 12b-13). Zalig en heilig is hij, die deel heeft dan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, die duizend jaren. (Openb. 20:6) |
||||||||||||||||||||
|
Wet en genade De brieven van Paulus aan de Galaten en de Romeinen leren ons dat we in een nieuwe bedeling en een nieuw verbond leven. Het woord bedeling is in het Grieks ‘oikonomia’ en dat betekent letterlijk ‘regels van het huis / huishouding / bediening / bedeling’. In o.a. Galaten 4:24 en Efeze 3:2+9 wordt voor bedelingen het Griekse woord ‘diathèkai’ gebruikt, wat ‘verbonden’ betekent. De Gemeente van Jezus Christus leeft in de regels van het nieuwe verbond, omdat we in een nieuwe huishouding leven, namelijk het huisgezin van God. Israël leefde in een andere huishouding, in de bedeling van de wet. De wet was niet een middel om zalig te worden, alleen door geloof kon de Israëliet behouden worden (Rom. 2:28-29, Rom. 4:3-4 en 13-14, Hebr. 11:6, Gal. 2:16, 3:). Wel was het voor de Israëlieten noodzaak om naast dat geloof de werken van de wet te doen. Dat houdt de Here bij monde van Mozes (o.a. Deut. 4-6) en vele profeten zijn volk regelmatig voor: onderhoud Mijn geboden! Maar Christus heeft de wet volledig vervuld en is het einde der wet tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft (Rom.10:4). In het nieuwe verbond leven we uit genade (Rom. 6:14), die heil brengt niet alleen maar aan Israël, maar voor alle mensen (Titus 2:11). De wet is daarbij niet meer nodig, nu de gerechtigheid van God openbaar is geworden in Zijn Zoon (Rom. 3:19-22, Rom.7:4-6, Rom. 8:2, Gal. 3:23-25 en 4:4-7). Er geldt nu nog maar één wet: de wet van geloof (Rom. 3:27-30) waarbij besneden zijn (een wet van het oude verbond) of niet besneden zijn niet van belang is (Gal. 5:1-6). Deze wet van geloof staat niet op stenen gegrift (zoals de 1o Geboden), maar wordt door de Geest van God in ons hart geschreven (2 Cor. 3:1-11, Gal. 5:13-23). De Heilige Geest leidt het leven van de gelovigen in deze bedeling van de genade, zodat we Zijn vruchten voortbrengen in plaats van de vruchten van de zonde (Rom. 8:3-10, Gal. 5:18-26, Ef. 4:20-32, Col. 3:1-4:6 en Titus 2:11-14). Galaten 4:21-31 zegt dit alles in de vorm van een soort gelijkenis. Volgens vers 24 zijn Sara en Hagar schaduwen (typen) van de twee bedelingen van Israël en de Gemeente. Israël leefde in de bedeling van Hagar, de slavin en haar naar het vlees verwekte zoon. ‘Hagar’ duidt de berg Sinai aan, waar de wet werd gegeven aan Gods volk naar het vlees: Israël. Dat staat op één lijn met het aardse Jeruzalem, het Joodse volk, dat nog steeds onder de slavernij van de wet leeft. Maar de Gemeente is de zoon van de vrije, onze moeder is het hemelse, vrije Jeruzalem. De Gemeente is de zoon van de belofte en niet van het vlees. De wet van de Sinai is vervangen door de belofte, de vrijheid. Wij zijn zonen die niet uit het vlees, maar uit God geboren zijn, kinderen van de belofte, door het geloof in Jezus Christus (vergelijk Johannes 1:12-13 en 16-17). De wet is dus op de Sinai aan Israël gegeven, omdat de Geest nog niet in het volk naar het vlees woning kon maken. De Geest was nog niet uitgestort, want Jezus was nog niet verheerlijkt (zie Joh. 7:39). De wet was een tuchtmeester, waaronder God zijn volk bewaarde (Gal. 3:23-24). Zo wilde God zijn belofte aan Abraham waarmaken en die belofte was de Christus (Gal. 3:16-22). Maar nu de Christus is gekomen, is de wet ook niet meer nodig (Gal. 3:24-25). De wet van het geloof wordt door de Geest in ons hart gegrift. Daardoor is de wet niet meer een tuchtmeester die zonde doet kennen, maar het wordt de drijfveer van het christenzijn. Een tuchtmeester wordt van buitenaf opgelegd, maar een drijfveer is een motivatie die diep uit het hart komt! Zie Hebr. 10:19-22. Ook hierin is het nieuwe verbond met de wet van het geloof een rijker verbond dan het oude (Hebr. 8:6-7). Het voorlezen van de wet als ‘leefregel van de dankbaarheid’ is daarmee eigenlijk een terugdraaien van de heilsgeschiedenis. Daarmee legt men de bedekkg, die Christus heeft laten verdwijnen, weer over de harten van de mensen! (2 Cor. 3:12-18) Maar eens zal die bedekking ook van de harten van Israël
worden weggenomen. Dan zal de Here ook met Israël een nieuw verbond sluiten.
De wet zal dan niet meer op stenen tafelen staan geschreven, maar de Here
zal de wet in hun binnenste leggen en in hun hart schrijven. Dan is
onderwijs in de wet niet meer nodig, men hoeft het de kinderen niet meer in
te prenten (zoals de oude wet, zie Deut. 6:6-9) en het de ander niet meer te
leren. Want dan zal iedere Israëliet God persoonlijk kennen, van groot tot
klein (Jer. 31:31-34). "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen." (Gal. 5:1) "Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de
gerechtigheid waarop wij hopen." (Gal. 5:5)
Capelle aan den IJssel, december 1997 / januari 1998 |