|
Archief columns 2005 |
Juni 2010
De Davidster
Sinds de Tweede Wereldoorlog is overduidelijk wat een Jodenster is. De nazi’s
gebruikten het om de Joden te vernederen en uit te roeien. Maar het bekende
symbool met de twee in elkaar gevlochten driehoeken is op zich veel ouder en was
niet altijd expliciet met het Jodendom verbonden.
De Jodenster wordt ook wel Davidster genoemd, want in het Hebreeuws heet de ster
‘Magen David’ en dat betekent ‘Davids schild’. Het schijnt namelijk, dat in
Davids tijd de soldaten gewoon waren schilden te dragen, die bestonden uit twee
driehoekige platen op elkaar. Helaas zijn daar (voor zover ik weet) geen
exemplaren van bewaard gebleven. Bij opgravingen uit de 7e en 4e eeuw voor
Christus is de ster wel gevonden en hij komt ook voor in vroege Arabische kunst
en architectuur, in Egypte, China en India. En overal had de ster weer andere
betekenissen. Het is van oorsprong dus geen exclusief Joods of Israëlitisch
symbool.
Er zijn wel allerlei anekdotes rondom de zespuntige ster te vinden, die zich
afspelen in de tijd van de koningen David en Salomo, maar in de Bijbel is er
niets over te lezen. Wel is het bijzonder, dat de ster in het Arabisch wordt
gezien als het zegel van koning Suleyman, die wij uit de Bijbel kennen als
Salomo, Davids zoon en troonopvolger. En enkele keizers van Ethiopië gebruikten
de zeshoek ook als zegel, omdat zij van Salomo zeiden af te stammen.
Pas in het jaar 1534 wordt de Davidster voor het eerst gebruikt als echt Joods
symbool, wanneer de Joden in Praag een eigen vlag mogen gaan gebruiken. Ze
kiezen dan voor het Magen David als embleem. Sinds die tijd komt het
langzamerhand steeds meer in gebruik bij Joden. Ook religieus wordt het symbool
toegepast bij de decoratie van de gebedsmantels (talliet), sederschalen en
chanoekakandelaars. Overigens werd de Davidster al rond het begin van onze
jaartelling gebruikt als ornament op synagogen. Zo is op de overblijfselen van
de synagoge van Kapernaum (+ 100 – 200 na Christus) de Davidster aangetroffen.
Vanaf het einde van de 19e eeuw ontstond de behoefte onder Joden aan een
nationaal Joods symbool. Men koos toen voor de Davidster, geplaatst op een wit
vlak met boven- en onderaan een blauwe band. De blauw met witte achtergrond
verwijst naar de talliet, de Joodse gebedsmantel.
Zoals gezegd
is de betekenis van het hexagram (zeshoek) onzeker en er zijn veel verklaringen
te vinden. De volgende uitleg, die ik van mijn leraar Hebreeuws hoorde, spreekt
me erg aan. De Davidster bestaat volgens hem uit een /\, een \/ en twee
horizontale lijnen:
De eerste punt /\ zou je kunnen zien als de twee armen van God. Armen die zich liefdevol en zegenend uitstrekken naar zijn volk Israël – en daarin naar alle volken van de aarde. (Genesis 12:2-3)
De omgekeerde vorm \/ kun je dan zien als de armen van het volk Israël. Armen die zich lofzingend, dankzeggend en vol vertrouwen uitstrekken naar God.
De twee horizontale lijnen (de ene hoog en de andere laag) stellen dan de hemel boven en de aarde beneden voor.
Wel mooi dat de vlag van Israël de Davidster plaatst bovenop een gebedsmantel. Want eigenlijk is dat na de bovenstaande uitleg best logisch. De talliet wordt gedragen bij het ochtendgebed in de synagoge. Dan gebeurt in de praktijk wat de Davidster zou kunnen uitbeelden: in het gelovig gebed raken hemel en aarde elkaar, wanneer God zich zegenend uitstrekt naar de mens en de mens verwachtingsvol en dankzeggend zijn armen omhoog heft. Bidden is één zijn met Israëls God, de zegen uit zijn armen ontvangen en Hem met opgeheven handen loven en danken voor zijn liefdevolle zorg!
Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.Profetie van Bileam in Exodus 24:17
Ik ben de telg van David, zijn nakomeling,
de stralende morgenster.Jezus in Openbaring 22:16
Mei 2010
Praten met een bekende
Op MSN kunnen kinderen uren met elkaar
chatten, terwijl ze elkaar ook al de hele dag op school hebben gezien. Er is
blijkbaar altijd weer genoeg stof om over te kletsen. Ach, ook bij volwassenen
is het heel herkenbaar. Mensen die elkaar veel zien, hebben altijd wel een
gespreksonderwerp. Je kunt gewoon het beste kan praten met de mensen waar je het
meest mee omgaat en waar je dus een stuk van je leven mee deelt.
Als je iemand uit het oog verliest (bijvoorbeeld door een verhuizing) kan het
zomaar gebeuren, dat je elkaar uiteindelijk niets meer te vertellen hebt. Je
komt elkaar na lange tijd bijvoorbeeld tegen op een feestje. Je zou dan
verwachten dat je de hele avond nodig hebt om bij te kletsen, maar het gesprek
voelt op de een of andere manier ietwat ongemakkelijk. Het blijft hangen in het
uitwisselen van hoe het nu met je gaat, hoe groot de kinderen al weer zijn, hoe
druk het op je werk is, enzovoorts. Het gesprek blijft oppervlakkig en je
luistert meer uit beleefdheid dan dat je het echt interessant vindt. De diepgang
van vroeger heeft het niet meer.
Blijkbaar kun je alleen goed praten met de mensen waar je het meest mee omgaat.
Wanneer het contact verwatert, heb je uiteindelijk steeds minder om met elkaar
te delen. En langzaamaan verdwijnt dan ook de behoefte om elkaar te spreken. Zo
kan dat gaan…
Op die manier werkt dat denk ik ook met bidden. Wie maar weinig contact met God
heeft, heeft ook weinig aan Hem te vertellen. Wie God nauwelijks of nooit bij
het dagelijks leven betrekt, komt Hem alleen af en toe nog ergens tegen: in een
lied, een preek, een mooie gedachte, een kaartje met een Bijbeltekst, een stukje
natuur… Maar meer dan een verbaasd “Hé, U ook hier…?” komt er dan niet over je
lippen. Want waar moet je verder eigenlijk over praten?
Als je het leven niet met elkaar deelt, heb je weinig om te delen in een
gesprek. Als je het leven niet met God deelt, heb je Hem ook niet veel te
vertellen in het gebed. Het voelt ongemakkelijk, blijft oppervlakkig en mist
diepgang. Het is meer beleefdheid en gewoonte, dan dat je er behoefte aan hebt
om met God te praten. En langzaamaan verdwijnt dan ook die behoefte en valt het
gebed stil. Zo kan dat gaan…
Alleen wie in het leven van alle dag veel met God deelt, kan ook eindeloos
bidden. Bidden is daarbij meer dan spreken, het kan ook zingen zijn. Of
luisteren – luisteren in stilte. Of lezen – lezend luisteren naar Gods Woord, de
Bijbel. Zo houd je contact en leer je Hem steeds beter kennen. En daardoor heb
je weer nieuwe stof om met God over te praten; om te bidden en te aanbidden.
Kinderen op MSN hebben er behoefte aan om veel en intensief met elkaar contact
te hebben. We leren kinderen hopelijk ook om zo intensief met God om te gaan.
Niet voor niets is één van de bekendste christelijke kinderliedjes ‘Lees je
Bijbel, bid elke dag’. Want wie het leven van elke dag met God deelt, heeft er
een Vriend voor het leven bij. Die heeft ook altijd wel iets om met God over te
praten. Je kan tenslotte het beste praten met een Bekende!
De vertrouwelijke omgang met God is voor wie Hem eerbiedig vrezen. Hij leert
hen zijn verbondsgeheimen kennen. Mijn ogen zijn altijd op de HEER gericht.
(eigen vertaling Psalm 25:14-15a)
Februari 2010
Ruw goud
Je zou er zo aan voorbij lopen – een zwart
stuk steen, een donkere rotswand in een schemerige grot. Zoals er zoveel
rotswanden en grotten zijn. Maar kijk nog eens goed: het glimt daar een beetje –
en kijk, daar ook! Oké, het is zwak, maar zie je het nu?
Een goudader! Ietwat verstopt in het gesteente, smoezelig en grauw van kleur. Je
hebt natuurlijk een heel ander beeld van goud, vandaar dat je het niet direct
herkende. Goud is toch geel en glanzend? Maar dit is ruw, stoffig en grijs, vies
en onzuiver. Je kunt er nog helemaal niets mee.
Er moet eerst een gouddelver komen om het los te hakken uit de rots. Dat is
zwaar en vermoeiend werk in het donker van de goudmijn. De brokken ruw goud die
na stevig doorwerken buiten de mijn worden verzameld, zijn nog steeds niet mooi
en stralend. Maar het is al beter dan eerst, er is meer glans te zien. Logisch,
je moet het naar het licht brengen om de weerkaatsing van het licht te kunnen
zien. In het donker en omgeven door donker gesteente geeft goud nauwelijks iets
van zijn glans prijs.
De gouddelver brengt het ruwe metaal naar de smeltoven om het vuur zijn
zuiverende werk te laten doen. Pas dan, in de hitte van het vuur, begint het
goud langzaam het licht te weerkaatsen. Het wordt steeds mooier, steeds
helderder. De glans wordt dieper en warmer, tot het als een spiegel is die het
licht van de zon weerkaatst.
Nee, goud is van nature ruw en onbruikbaar. Er moet een gouddelver aan te pas
komen om al dat moois uit de rotsen los te halen en aan het licht te brengen. Na
het werk van de gouddelver is het de taak van de goudsmid om het metaal te
zuiveren en uiteindelijk vorm te geven tot een kunstig en creatief voorwerp.
Want goud is een zacht metaal, ietwat kwetsbaar, maar daardoor zo mooi te
vormen.
De mens is zo’n brok ruw goud. Van nature ruw, vies, onzuiver en
onbruikbaar, doortrokken van brokken hard gesteente. Maar ontegenzeggelijk ook
waardevol, kostbaar. Om de goddelijke glans van zuiver goud te kunnen
uitstralen, moet hij eerst losgemaakt worden uit de duistere omgeving. Om naar
het licht gebracht te worden, om gezuiverd te worden met vuur, steeds zuiverder,
totdat hij de Zon weerspiegelt – totdat hij de Zoon weerspiegelt.
Zichzelf loswrikken uit het donkere gesteente kan hij niet. Daar is een
gouddelver voor nodig; iemand die de waarde van het goud ziet. Iemand die het er
voor over heeft om vies te worden, om de donkere goudmijn binnen te gaan, om
keihard te werken.
Jezus is die Gouddelver: Hij heeft er vuile, gescheurde kleren en
bebloede handen voor over om goud te winnen. Hij breekt ruw goud los uit de
rotswand, ontrukt het aan het domein van de duisternis en draagt het liefdevol
naar het licht. Daarna laat Hij het door de goudsmid smelten, zodat het ruwe
goud zuiverder wordt en steeds meer z’n karakteristieke glans krijgt.
De Heilige Geest is die Goudsmid, die het zuiveringsproces nauwlettend in
de gaten houdt en het waar nodig bijstuurt. Al het harde gesteente moet eruit,
alle onzuiverheden brandt Hij weg met zijn vuur. 24 karaats goud – met minder
neemt Hij geen genoegen!
Dan wordt het met recht edel metaal: glanzend als de zon, zuiver als de Zoon.
Zuiver, maar ook zacht: zo kan het door de Goudsmid moeiteloos worden
gevormd tot een unieke en kostbare schepping, die recht doet aan de waardevolle
grondstof. Het wordt een kunstwerk dat glanst als een spiegel, zodat Hij
zichzelf erin herkent.
Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar
het koninkrijk van zijn geliefde Zoon.
(Kolossenzen 1:13, WV’78)
Januari 2010
Stilte – een tweestemmig lied
Alleen bij God is stilte voor mijn ziel, — mijn redding komt van Hem.
Alleen bij God is rust, mijn ziel, — ja, van Hem komt wat ik hoop.
(Psalm 62 vers 2 en 6 uit de Naardense
Bijbel)
Wanneer stilte wordt geassocieerd met zwijgen is het bedreigend. Zwijgen is het
tegenovergestelde van spreken. Zwijgen is actief niets zeggen. Het kan koud, kil
en leeg aanvoelen; zo’n zwijgende stilte maakt onzeker en angstig. Het staat als
een muur tussen jou en de ander. Je hebt elkaar niets (meer) te zeggen en daarom
wordt er gezwegen. Als dat lang duurt, wordt het beklemmend en maakt het je
onrustig. Je kunt die beklemming alleen verbreken door te spreken of door weg te
lopen.
Voor mij is stilte juist niet verbonden met zwijgen, al spreek ik in mijn stille
momenten niet hardop. Stilte is voor mij vooral luisteren – niet met mijn oren,
maar met mijn hart. Het is geen zwijgen dat verwijdering brengt, maar een
luisteren om dichterbij te komen.
Vaak luistert mijn hart via mijn ogen: ik lees en herlees en lees opnieuw die
ene Bijbeltekst, dat ene zinnetje, tot het mijn hart raakt. Tot het me – in die
stilte – iets gaat zeggen. Tot Hij me iets gaat zeggen. Zo’n stilte is
hartverwarmend. Het maakt je rustig, je verstilt. Je wordt één met de woorden,
je drinkt ze in als (levend) water.
Stil zijn is voor mij daarom het tegenovergestelde van zwijgen:
Zwijgen is je mond houden om
niets te zeggen,
stil zijn is je mond houden om te luisteren.
Zwijgen doe je, omdat je de
ander niets meer te zeggen hebt.
Stil zijn doe je, omdat de Ander je iets te zeggen heeft.
Zwijgen is je afsluiten voor
de ander,
stil zijn is juist open gaan voor de Ander.
Zwijgen kan leiden tot
verkilling,
stil zijn leidt eerder tot verstilling.
Ik heb de stilte ook echt
nodig. Er is zoveel lawaai om me heen. Ik heb soms zelf ook zo veel te zeggen.
Hoe kan ik dan Gods stem nog horen?
God trekt niet de aandacht door over al het lawaai heen te schreeuwen. Hij
overstemt het niet met zijn ongetwijfeld machtige donderstem, zodat iedereen
verschrikt zwijgt. Nee, Hij wacht rustig tot we stil worden om te luisteren. In
die stilte is er dan contact. Breekbaar, merkbaar, liefdevol. Het is zoals de
dichter Guillaume van der Graft (pseudoniem
van Willem Barnard) het treffend verwoordt:
“de stilte, dat is een tweestemmig lied, waarin God en de mens elkaar raken.”