Archief columns 2005
Archief columns 2006
Archief columns 2007
Archief columns 2008
Archief columns 2009
Archief columns 2010
Terug


 

Juni 2010        De Davidster

Sinds de Tweede Wereldoorlog is overduidelijk wat een Jodenster is. De nazi’s gebruikten het om de Joden te vernederen en uit te roeien. Maar het bekende symbool met de twee in elkaar gevlochten driehoeken is op zich veel ouder en was niet altijd expliciet met het Jodendom verbonden.
De Jodenster wordt ook wel Davidster genoemd, want in het Hebreeuws heet de ster ‘Magen David’ en dat betekent ‘Davids schild’. Het schijnt namelijk, dat in Davids tijd de soldaten gewoon waren schilden te dragen, die bestonden uit twee driehoekige platen op elkaar. Helaas zijn daar (voor zover ik weet) geen exemplaren van bewaard gebleven. Bij opgravingen uit de 7e en 4e eeuw voor Christus is de ster wel gevonden en hij komt ook voor in vroege Arabische kunst en architectuur, in Egypte, China en India. En overal had de ster weer andere betekenissen. Het is van oorsprong dus geen exclusief Joods of Israëlitisch symbool.

Er zijn wel allerlei anekdotes rondom de zespuntige ster te vinden, die zich afspelen in de tijd van de koningen David en Salomo, maar in de Bijbel is er niets over te lezen. Wel is het bijzonder, dat de ster in het Arabisch wordt gezien als het zegel van koning Suleyman, die wij uit de Bijbel kennen als Salomo, Davids zoon en troonopvolger. En enkele keizers van Ethiopië gebruikten de zeshoek ook als zegel, omdat zij van Salomo zeiden af te stammen.
Pas in het jaar 1534 wordt de Davidster voor het eerst gebruikt als echt Joods symbool, wanneer de Joden in Praag een eigen vlag mogen gaan gebruiken. Ze kiezen dan voor het Magen David als embleem. Sinds die tijd komt het langzamerhand steeds meer in gebruik bij Joden. Ook religieus wordt het symbool toegepast bij de decoratie van de gebedsmantels (talliet), sederschalen en chanoekakandelaars. Overigens werd de Davidster al rond het begin van onze jaartelling gebruikt als ornament op synagogen. Zo is op de overblijfselen van de synagoge van Kapernaum (+ 100 – 200 na Christus) de Davidster aangetroffen. Vanaf het einde van de 19e eeuw ontstond de behoefte onder Joden aan een nationaal Joods symbool. Men koos toen voor de Davidster, geplaatst op een wit vlak met boven- en onderaan een blauwe band. De blauw met witte achtergrond verwijst naar de talliet, de Joodse gebedsmantel.

Zoals gezegd is de betekenis van het hexagram (zeshoek) onzeker en er zijn veel verklaringen te vinden. De volgende uitleg, die ik van mijn leraar Hebreeuws hoorde, spreekt me erg aan. De Davidster bestaat volgens hem uit een /\, een \/ en twee horizontale lijnen:

Wel mooi dat de vlag van Israël de Davidster plaatst bovenop een gebedsmantel. Want eigenlijk is dat na de bovenstaande uitleg best logisch. De talliet wordt gedragen bij het ochtendgebed in de synagoge. Dan gebeurt in de praktijk wat de Davidster zou kunnen uitbeelden: in het gelovig gebed raken hemel en aarde elkaar, wanneer God zich zegenend uitstrekt naar de mens en de mens verwachtingsvol en dankzeggend zijn armen omhoog heft. Bidden is één zijn met Israëls God, de zegen uit zijn armen ontvangen en Hem met opgeheven handen loven en danken voor zijn liefdevolle zorg!


Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.

    Profetie van Bileam in Exodus 24:17

Ik ben de telg van David, zijn nakomeling,
de stralende morgenster.

    Jezus in Openbaring 22:16


 

Mei 2010        Praten met een bekende

Op MSN kunnen kinderen uren met elkaar chatten, terwijl ze elkaar ook al de hele dag op school hebben gezien. Er is blijkbaar altijd weer genoeg stof om over te kletsen. Ach, ook bij volwassenen is het heel herkenbaar. Mensen die elkaar veel zien, hebben altijd wel een gespreksonderwerp. Je kunt gewoon het beste kan praten met de mensen waar je het meest mee omgaat en waar je dus een stuk van je leven mee deelt.

Als je iemand uit het oog verliest (bijvoorbeeld door een verhuizing) kan het zomaar gebeuren, dat je elkaar uiteindelijk niets meer te vertellen hebt. Je komt elkaar na lange tijd bijvoorbeeld tegen op een feestje. Je zou dan verwachten dat je de hele avond nodig hebt om bij te kletsen, maar het gesprek voelt op de een of andere manier ietwat ongemakkelijk. Het blijft hangen in het uitwisselen van hoe het nu met je gaat, hoe groot de kinderen al weer zijn, hoe druk het op je werk is, enzovoorts. Het gesprek blijft oppervlakkig en je luistert meer uit beleefdheid dan dat je het echt interessant vindt. De diepgang van vroeger heeft het niet meer.

Blijkbaar kun je alleen goed praten met de mensen waar je het meest mee omgaat. Wanneer het contact verwatert, heb je uiteindelijk steeds minder om met elkaar te delen. En langzaamaan verdwijnt dan ook de behoefte om elkaar te spreken. Zo kan dat gaan…

Op die manier werkt dat denk ik ook met bidden. Wie maar weinig contact met God heeft, heeft ook weinig aan Hem te vertellen. Wie God nauwelijks of nooit bij het dagelijks leven betrekt, komt Hem alleen af en toe nog ergens tegen: in een lied, een preek, een mooie gedachte, een kaartje met een Bijbeltekst, een stukje natuur… Maar meer dan een verbaasd “Hé, U ook hier…?” komt er dan niet over je lippen. Want waar moet je verder eigenlijk over praten?

Als je het leven niet met elkaar deelt, heb je weinig om te delen in een gesprek. Als je het leven niet met God deelt, heb je Hem ook niet veel te vertellen in het gebed. Het voelt ongemakkelijk, blijft oppervlakkig en mist diepgang. Het is meer beleefdheid en gewoonte, dan dat je er behoefte aan hebt om met God te praten. En langzaamaan verdwijnt dan ook die behoefte en valt het gebed stil. Zo kan dat gaan…

Alleen wie in het leven van alle dag veel met God deelt, kan ook eindeloos bidden. Bidden is daarbij meer dan spreken, het kan ook zingen zijn. Of luisteren – luisteren in stilte. Of lezen – lezend luisteren naar Gods Woord, de Bijbel. Zo houd je contact en leer je Hem steeds beter kennen. En daardoor heb je weer nieuwe stof om met God over te praten; om te bidden en te aanbidden.

Kinderen op MSN hebben er behoefte aan om veel en intensief met elkaar contact te hebben. We leren kinderen hopelijk ook om zo intensief met God om te gaan. Niet voor niets is één van de bekendste christelijke kinderliedjes ‘Lees je Bijbel, bid elke dag’. Want wie het leven van elke dag met God deelt, heeft er een Vriend voor het leven bij. Die heeft ook altijd wel iets om met God over te praten. Je kan tenslotte het beste praten met een Bekende!

De vertrouwelijke omgang met God is voor wie Hem eerbiedig vrezen. Hij leert hen zijn verbondsgeheimen kennen. Mijn ogen zijn altijd op de HEER gericht.
(eigen vertaling Psalm 25:14-15a)
 


 

Februari 2010        Ruw goud

Je zou er zo aan voorbij lopen – een zwart stuk steen, een donkere rotswand in een schemerige grot. Zoals er zoveel rotswanden en grotten zijn. Maar kijk nog eens goed: het glimt daar een beetje – en kijk, daar ook! Oké, het is zwak, maar zie je het nu?
Een goudader! Ietwat verstopt in het gesteente, smoezelig en grauw van kleur. Je hebt natuurlijk een heel ander beeld van goud, vandaar dat je het niet direct herkende. Goud is toch geel en glanzend? Maar dit is ruw, stoffig en grijs, vies en onzuiver. Je kunt er nog helemaal niets mee.

Er moet eerst een gouddelver komen om het los te hakken uit de rots. Dat is zwaar en vermoeiend werk in het donker van de goudmijn. De brokken ruw goud die na stevig doorwerken buiten de mijn worden verzameld, zijn nog steeds niet mooi en stralend. Maar het is al beter dan eerst, er is meer glans te zien. Logisch, je moet het naar het licht brengen om de weerkaatsing van het licht te kunnen zien. In het donker en omgeven door donker gesteente geeft goud nauwelijks iets van zijn glans prijs.
De gouddelver brengt het ruwe metaal naar de smeltoven om het vuur zijn zuiverende werk te laten doen. Pas dan, in de hitte van het vuur, begint het goud langzaam het licht te weerkaatsen. Het wordt steeds mooier, steeds helderder. De glans wordt dieper en warmer, tot het als een spiegel is die het licht van de zon weerkaatst.
Nee, goud is van nature ruw en onbruikbaar. Er moet een gouddelver aan te pas komen om al dat moois uit de rotsen los te halen en aan het licht te brengen. Na het werk van de gouddelver is het de taak van de goudsmid om het metaal te zuiveren en uiteindelijk vorm te geven tot een kunstig en creatief voorwerp. Want goud is een zacht metaal, ietwat kwetsbaar, maar daardoor zo mooi te vormen.

De mens is zo’n brok ruw goud. Van nature ruw, vies, onzuiver en onbruikbaar, doortrokken van brokken hard gesteente. Maar ontegenzeggelijk ook waardevol, kostbaar. Om de goddelijke glans van zuiver goud te kunnen uitstralen, moet hij eerst losgemaakt worden uit de duistere omgeving. Om naar het licht gebracht te worden, om gezuiverd te worden met vuur, steeds zuiverder, totdat hij de Zon weerspiegelt – totdat hij de Zoon weerspiegelt.
Zichzelf loswrikken uit het donkere gesteente kan hij niet. Daar is een gouddelver voor nodig; iemand die de waarde van het goud ziet. Iemand die het er voor over heeft om vies te worden, om de donkere goudmijn binnen te gaan, om keihard te werken.

Jezus is die Gouddelver: Hij heeft er vuile, gescheurde kleren en bebloede handen voor over om goud te winnen. Hij breekt ruw goud los uit de rotswand, ontrukt het aan het domein van de duisternis en draagt het liefdevol naar het licht. Daarna laat Hij het door de goudsmid smelten, zodat het ruwe goud zuiverder wordt en steeds meer z’n karakteristieke glans krijgt.
De Heilige Geest is die Goudsmid, die het zuiveringsproces nauwlettend in de gaten houdt en het waar nodig bijstuurt. Al het harde gesteente moet eruit, alle onzuiverheden brandt Hij weg met zijn vuur. 24 karaats goud – met minder neemt Hij geen genoegen!

Dan wordt het met recht edel metaal: glanzend als de zon, zuiver als de Zoon. Zuiver, maar ook zacht: zo kan het door de Goudsmid moeiteloos worden gevormd tot een unieke en kostbare schepping, die recht doet aan de waardevolle grondstof. Het wordt een kunstwerk dat glanst als een spiegel, zodat Hij zichzelf erin herkent.
 


Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon.
(Kolossenzen 1:13, WV’78)

 


 

Januari 2010        Stilte – een tweestemmig lied

Alleen bij God is stilte voor mijn ziel, — mijn redding komt van Hem.
Alleen bij God is rust, mijn ziel, — ja, van Hem komt wat ik hoop.

(Psalm 62 vers 2 en 6 uit de Naardense Bijbel)

Wanneer stilte wordt geassocieerd met zwijgen is het bedreigend. Zwijgen is het tegenovergestelde van spreken. Zwijgen is actief niets zeggen. Het kan koud, kil en leeg aanvoelen; zo’n zwijgende stilte maakt onzeker en angstig. Het staat als een muur tussen jou en de ander. Je hebt elkaar niets (meer) te zeggen en daarom wordt er gezwegen. Als dat lang duurt, wordt het beklemmend en maakt het je onrustig. Je kunt die beklemming alleen verbreken door te spreken of door weg te lopen.

Voor mij is stilte juist niet verbonden met zwijgen, al spreek ik in mijn stille momenten niet hardop. Stilte is voor mij vooral luisteren – niet met mijn oren, maar met mijn hart. Het is geen zwijgen dat verwijdering brengt, maar een luisteren om dichterbij te komen.
Vaak luistert mijn hart via mijn ogen: ik lees en herlees en lees opnieuw die ene Bijbeltekst, dat ene zinnetje, tot het mijn hart raakt. Tot het me – in die stilte – iets gaat zeggen. Tot Hij me iets gaat zeggen. Zo’n stilte is hartverwarmend. Het maakt je rustig, je verstilt. Je wordt één met de woorden, je drinkt ze in als (levend) water.

Stil zijn is voor mij daarom het tegenovergestelde van zwijgen:

Ik heb de stilte ook echt nodig. Er is zoveel lawaai om me heen. Ik heb soms zelf ook zo veel te zeggen. Hoe kan ik dan Gods stem nog horen?
God trekt niet de aandacht door over al het lawaai heen te schreeuwen. Hij overstemt het niet met zijn ongetwijfeld machtige donderstem, zodat iedereen verschrikt zwijgt. Nee, Hij wacht rustig tot we stil worden om te luisteren. In die stilte is er dan contact. Breekbaar, merkbaar, liefdevol. Het is zoals de dichter Guillaume van der Graft
(pseudoniem van Willem Barnard) het treffend verwoordt: “de stilte, dat is een tweestemmig lied, waarin God en de mens elkaar raken.”